Institut Jules Bordet - Jules Bordet Instituut

Medische Informatie

Home Page Map Site Zoeken Contact news Gebeurtenissen in het Instituut

Informatieve Medische Brochures

Medische Beeldvorming

Uw Vragen over het Opsporen en de Diagnose van Borstkanker
Beschikbare Technieken

Wanneer moet men een mammografie laten uitvoeren ?

- buiten de screening
Een mammografie heeft geen enkele zin bij kinderen of adolescenten. Bij vrouwen jonger dan 35 jaar (leeftijd van een mogelijke eerste opsporing) kan men ze uitvoeren als er zich een klinisch symptoom voordoet en het probleem niet door een echografie alleen kan worden opgelost of indien er bij de moeder op jonge leeftijd een geval van borstkanker werd vastgesteld (vóór 35 jaar).
- in het kader van de screening
De mammografie, een radiografisch onderzoek van de borst, is de pijler bij het opsporen, het onderzoek van eerste intentie. Het is nooit "niet belastend", zelfs in borsten waar de borstklier overvloedig is (zwaar). Het is het enige onderzoek waarop een van de vroegste voortekenen van borstkanker duidelijk zichtbaar is: microverkalkingen. Deze microverkalkingen kunnen echter goedaardig en dus zonder gevaar zijn, en zijn dus niet automatisch een " teken van kanker ". Microverkalkingen zijn duidelijk zichtbaar in klierrijke borsten. De mammografie is tevens een uitgelezen onderzoek om wijzigingen in de structuur van het borstklierweefsel op te sporen (eveneens goed zichtbaar in zware borsten).

 

Hoe verschijnt borstkanker op de beeldvorming ?

Bij de mammografie zijn er drie tekenen die op kanker wijzen :
- Een onregelmatige opaciteit (wit op de radiografie)
- Een wijziging in de normale structuur van de borstklier
- Microverkalkingen verschijnen als fijn wit stof op de radiografie en kunnen wijzen op een beginnende kanker in een melkgang (" in situ " kanker met goede prognose).

Dankzij de echografie kan men een kanker reeds opsporen vanaf 3-4 mm. Die verschijnt als een onregelmatige zwarte of grijze massa. Soms kan men via een echografie microverkalkingen opsporen (wanneer ze talrijk zijn) als die echografie genomen wordt met een performant toestel van de laatste generatie.

 

Zijn er letsels die men niet kan zien op de mammografie en de echografie ?

- Ja, indien het letsel te klein is om opgespoord te worden door de beeldvorming. In dat geval zou het echter, door de gemiddelde groeisnelheid van de tumor, bij een volgende screening opgespoord moeten worden op voorwaarde dat de tussentijd tussen twee mammografieën optimaal is, met andere woorden jaarlijks. Een tumor van 1 mm³ bevat 1 miljoen cellen, maar is nog niet opspoorbaar. Er gaan gemiddeld 6 jaar overheen om te groeien van 1 cel naar 1 miljoen cellen.
- Ja, 5 à 10 % van de kankers zijn uitsluitend zichtbaar op de echografie. Het zijn meestal kleine tumoren van minder dan 1cm.

 

Wanneer moet men een echografie laten uitvoeren ?

- Wanneer men een anomalie vaststelt bij een kind of een adolescent(e).
- Wanneer de laatste mammografie dateert van minder dan een jaar geleden en de patiënte een symptoom vertoont dat op het eerste gezicht goedaardig is (bv.: cyste).
- Als aanvulling bij een opsporingsmammografie kan men via een echografie anomalieën opsporen die niet zichtbaar zijn op de mammografie.
- Wanneer men op de mammografie een anomalie opspoort en men de aard ervan wil preciseren. Als men op de mammografie bijvoorbeeld een afgeronde opaciteit ontdekt, kan men via de echografie nagaan of het misschien om een gewone "watercyste" gaat.

 
Wat is de plaats van de CT scan of de resonantie van de borst ?

Dit zijn wat men noemt onderzoeken van de derde intentie.
Wanneer men een klinische anomalie opspoort, voert men eerst een mammografie uit (onderzoek van de eerste intentie), eventueel aangevuld met een echografie in tweede intentie. Wanneer het moeilijk is om met deze twee technieken een diagnose te stellen, kan men een onderzoek van de derde intentie vragen. Dat is dan de magnetische resonantie (IRM) of de CT scanner (CT).

Dit zijn zeer gevoelige onderzoeken, die dus zeer krachtig zijn in het opsporen van kleine, maar minder specifieke veranderingen in de borst. Deze anomalieën wijzen niet noodzakelijk op kanker.

Wanneer de radioloog een verdacht borstkankerletsel ontdekt, moet hij nagaan hoe uitgebreid het is en bepalen of de ziekte (de kanker) gelokaliseerd is of dat er in dezelfde borst, de andere borst of zelfs buiten de borst (metastase) andere letsels bestaan. Dit zal de startbehandeling van de patiënte bepalen. De IRM bekleedt een eigen plaats in deze beoordelingsopdracht, maar dit apparaat is niet overal beschikbaar.

 

Wat doet men wanneer men op de beeldvorming een anomalie ontdekt ?

Wanneer de anomalie voelbaar is en zelfs wanneer ze alleen zichtbaar is via de beeldvormingstechnieken, kan men een biopsie uitvoeren :
- ofwel door middel van een fijne naald om cellen of vloeistof te onttrekken (punctie van de cyste) : cytologische punctie
- ofwel door middel van een naald van middelgroot (microbiopsie) of groot kaliber (macrobiopsie) : men neemt dan een stukje borstweefsel weg dat onder de microscoop wordt geanalyseerd. Deze biopsies gebeuren onder lokale verdoving.

Deze biopsies kan men uitvoeren om te bevestigen dat een knobbeltje goedaardig is en dus niet verwijderd hoeft te worden of wanneer het gaat om kanker en men informatie wil over de microscopische eigenschappen van de kankercellen. Deze eigenschappen kunnen bepalend zijn voor de keuze van de behandeling.

 

Is het wegnemen van weefsel niet gevaarlijk als dat gebeurt in een kankerknobbeltje ?

Heel wat studies tonen aan dat deze biopsies niet gevaarlijk zijn. Wanneer men biopsies van kankerweefsel uitvoert, kan het gebeuren dat de kankercellen die tijdens de biopsie verplaatst worden buiten de oorspronkelijke massa waarschijnlijk snel afsterven en dus geen nieuwe tumor kunnen vormen of cellen in de bloedsomloop kunnen brengen.

 

Wat is de betrouwbaarheid van deze diagnosetechnieken ?

Het volledige senologische onderzoek, dat het klinische onderzoek, de mammografie en de echografie omvat, is erg betrouwbaar (een diagnostische betrouwbaarheid van meer dan 98%) op voorwaarde dat er een kwaliteitscontrole van het volledige proces plaatsvindt (mammografietoestel, echograaf, films en ontwikkeling van de films) en dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een goed opgeleide radioloog.

 

Zijn deze technieken niet gevaarlijk inzake straling ?

Voor de mammografie gebruikt men röntgenstralen, voor de echografie ultrasone trillingen. De echografie heeft voor zover men weet geen kankerverwekkend effect. Omdat de borst een onderhuids orgaan is, moet men doorheen weinig weefsel zodat bij de mammografie erg lage dosissen röntgenstralen (0,05 rad) nodig zijn.

We leven in een natuurlijke stralingsomgeving waar de stralingsdosis in de "lucht" sterk verschilt van plaats tot plaats. In onze regio bedraagt de gemiddelde blootstelling ongeveer 1 rad (het equivalent van 20 mammografieën) op 10 jaar.

Het verwachte voordeel van het opsporen ligt 25 maal hoger dan het theoretische risico van de blootstelling aan X-stralen. Toch is het wenselijk niet meer mammografieën uit te voeren dan nodig.

 
Hoe verklaart men dat men een knobbeltje kan ontdekken enkele maanden nadat men een mammografie heeft uitgevoerd ?

- Dat kan te maken hebben met een hogere groeisnelheid van de tumor dan gemiddeld. Een tumor verdubbelt om de 100 dagen in volume. Wanneer men vertrekt van een "zieke" cel in de borst, is er gemiddeld 8 jaar nodig vooraleer de tumor klinisch opspoorbaar is door palpatie.
- Na twee jaar zijn er nog altijd minder dan 1000 kankercellen. Zij kunnen dan nog altijd verdwijnen door de immuunreactie van ons organisme.
- Op het einde van het vijfde jaar bereikt de massa 1 mm³ (1 miljoen cellen). In dat stadium zijn de kankercellen nog kwetsbaar.
- In de loop van het achtste jaar wordt de tumor opspoorbaar (1 gram of 1 miljard cellen), wordt hij gevoed door een bloedvat en bereikt hij een "point of no return". Aangezien hij om de drie maanden verdubbelt (100 dagen), bereikt hij na één jaar 15 gram (15 mm).
- De tumor is dus het vaakst opspoorbaar dankzij de hierboven beschreven onderzoeken voordat hij tussen het zevende en het achtste jaar van zijn evolutie klinisch opspoorbaar is door palpatie. Hij meet meestal tussen 5 en 8 mm (meer dan 1 mm maar minder dan 1 cm).

Indien het om een snelgroeiende tumor gaat, kan de duur van de evolutie door 4 gedeeld worden en dus kan het gebeuren dat de tumor, na een negatief opsporingsonderzoek, voelbaar wordt vóór het volgende opsporingsonderzoek, ook al heeft dat één jaar later plaats.

Indien de tussentijd tussen twee mammografieën te lang is, kan de massa tussen twee opsporingen ontdekt worden.
Indien de kwaliteit van de clichés niet voldoet en/of het lezen van de senologische check-up niet goed gebeurt, kan een zichtbaar letsel toch onopgemerkt blijven.

 

Terug : Keuze van Informatieve Medische Brochures

   

©2005, Jules Bordet Instituut - 121 Waterloolaan, 1000 Brussel, telephone image+32 2 541 31 11